10-05-09
De bange meidagen van 1940.
Op zondag 17 mei herdenken we voor de 68ste keer de slag van Ronsele. Toen ik 11 jaar was, interviewde ik mijn grootvader zaliger. Hier onder vind je mijn opstel.
Op een woensdagnamiddag ben ik naar mijn grootvader gegaan om naar zijn verhaal over de oorlog te luisteren.
Ik was 15 jaar toen de Duitse legers België binnenvielen. Het was 10 mei in de vroege morgen. Bij het eerste ochtendgloren, rond vijf uur, werden wij gewekt door vliegtuiggeronk. Duitse oorlogsvliegtuigen vlogen over ons heen met een oorverdovend lawaai. Wat het betekende, wisten we toen nog niet, maar om half zes bombardeerden zij het munitiedepot te Eeklo. Toen drong het tot ons door dat, wat we reeds een tijdje vreesden, werkelijkheid was geworden. Duitsland heeft aan België de oorlog verklaard. Op nog geen kilometer van Ronselekerk is ’s morgens vroeg een bom gevallen. Dat was maar vijf kilometer, in vogelvlucht, van het munitiedepot te Eeklo. Dat de schrik ons de eerste uren te pakken had, hoeft niet gezegd te worden. De krater die de bom had geslagen, was zeker zes meter breed en vier meter diep. Daarmee zaten we in het oorlogsgeweld dat over een tiental dagen bij ons zou zijn. De tegenstand aan het Albertkanaal en alsook aan het kanaal Gent-Terneuzen was al rap opgeheven door de overmacht in de lucht. En zo belandden de Duitsers aan het Schipdonkkanaal. Ik woonde op een boerderij te Ronseledorp. Door het achteruittrekken van onze legers en dar ze aan het Schipdonkkanaal de vijand nog eens moesten tegenhouden, werd onze boerderij ingenomen door het Rode Kruis. De vlag wapperde op de hekstijl.
Op ons erf hadden er ook Franse soldaten overnacht, maar die waren ondertussen vertrokken. De oversten en de brancardiers, die in ons huis de voorplaats als een eerste hulppost hadden ingericht, vertelden ons dat we zeker om zes uur moesten thuis zijn. Dan werden de eerste Duitsers aan het water verwacht. Bij het Rode Kruis was ook een aalmoezenier, die bijna de hele tijd in zijn gebedenboek bad.
In onze boomgaard, onder de fruitbomen, hadden onze soldaten een vijftiental putten gemaakt van één meter diep. Daarop hadden ze bussels hout gestapeld van de houtmijt. Het was een soort abri of onderstand. Die vrijdagavond om 18 uur floten de eerste obussen over ons heen. Het was de Belgische artillerie die in Ursel was opgesteld.
Ze moesten de Duitsers, die van Gent en Waarschoot kwamen, tegenhouden. Het Belgisch leger had zich ingegraven langs het Schipdonkkanaal, aan de kant Ronsele-Oostwinkel. Het 2de, 22ste en 32ste linieregiment stonden, door middel van een veldtelefoon, in verbinding met de artillerie. De Belgische kanonnen schoten te kort en de obussen kwamen, jammer genoeg, in hun eigen rangen terecht. Lang zal dat zeker niet geduurd hebben. Na de eerste beschieting moesten de brancardiers al om de eerste gekwetsten. Die eerste gewonden werden in ons huis verzorgd en dan voor verdere verzorging naar Brugge vervoerd. Telkens als er gekwetsten waren moesten wij in de kelder. Dan was er veel geroep en getier tijdens de eerste verzorging. Nadien vertelde een brancardier dat hij een soldaat had verzorgd waarvan de borstkas was ingedrukt. Dit gebeurde als volgt. Door de hevige beschieting waren de soldaten in de voorste linies uit hun ingegraven positie van put naar put gesprongen. In één van die putten lag die soldaat op zijn rug. Een makker sprong achterwaarts in de put op de soldaat zijn borstkas. In al zijn pijn lag hij naar zijn moeder te roepen: “Moeder, wat is de oorlog gruwelijk!”
Zondagnamiddag werd de kerk van Ronsele beschoten. Er vielen twee obussen op het plein en twee op ons erf. De kerktoren werd niet geraakt. Wij hoorden geweer- en mitrailleurvuur tot waar we woonden, daar het kanaal maar
Diezelfde namiddag zagen wij een twintigtal Duitse krijgsgevangenen, die reeds het kanaal waren over getrokken. Het gaf ons een eigenaardig gevoel bij het zien van de vijand. De Belgische gesneuvelden werden onmiddellijk naar het kerkhof gebracht.
Zo werd het maandag, de vierde dag aan het Schipdonkkanaal. Onze soldaten konden het niet meer aan. Het onvermijdelijke gebeurde. De Duitsers kwamen het kanaal over. Rond de middag kwamen de eerste Duitsers op onze boomgaard in de putten kijken naar onze soldaten. Dat, terwijl het voltallige Rode Kruis nog in ons huis aanwezig was. De Duitsers gooiden een handgranaat in onze schuur en vertrokken in een roggeveld, richting Rijverse bossen.
Toen de Duitsers hun sluipwerk deden, stonden wij en de mannen van het Rode Kruis in de achterkeuken door het raam te kijken. Ik durfde er niet aan denken moesten ze naar ons toe komen.
De manschappen, die bij ons een achttal dagen hebben doorgebracht, zijn onmiddellijk in de richting van Brugge vertrokken. Maar helaas, het was te laat. In de Rijverse bossen werden ze krijgsgevangen genomen. Hiermee eindigde voor hen “de slag van Ronsele”.
Roger Vermeire, mijn grootvader, eindigde met de woorden: “Ik hoop dat jullie het nooit meemaken, dat onschuldige jongens gedood of verminkt worden door die verschrikkelijke oorlog.”
07:45 Gepost door Tony Vermeire in Actualiteit | Permalink | Commentaren (0) | Email dit | Tags: tweede wereldoorlog, meidagen, ronsele |
Facebook |
